De hele wereld in één winkel

banner

Aan Tafelmaart 2018

De hele wereld in één winkel

Op de schappen staat fufu uit Ghana naast couscous uit Marokko en linzen uit India. De Brabantse Tom (11) is vandaag in de winkel van zijn opa en oma in Hilversum. 

Razendsnel beweegt Tom’s hand naar het bakje vol verschillende soorten kroepoek naast de kassa. Hij bijt, kauwt en trekt dan een gek gezicht. “Bitter!” Zijn oma lacht en legt uit: “De meeste kroepoek wordt gemaakt van gemalen garnalen met tapiocameel. Dat meel komt van de cassave: een knol die oorspronkelijk uit Brazilië komt. Het is verre familie van de aardappel.” Maar het hapje van Tom was emping. Dat is kroepoek van melindjo: een noot uit Indonesië. Tom knippert niet eens met zijn ogen als al deze exotische namen klinken. Hij is wel wat gewend van zijn grootouders. Ze hebben een winkel vol bijzondere ingrediënten uit verre landen.

Tom bakt kroepoek in de winkel van zijn oma en opa.

Makkelijk

Zijn moeder kookt lekker, maar vooral ook makkelijk en snel. “Macaroni of spaghetti, bijvoorbeeld. Rijst met kipkerrie, of  gekookte groente, aardappels en een stuk vlees.” Maar als opa en oma op maandag komen oppassen, wordt hij pas echt culinair verwend. Op tafel staan dan gerechten uit alle werelddelen en culturen. “Iets wat opa en oma op een van hun reizen hebben  geproefd en proberen na te maken. Of een recept dat ze kregen van een van hun klanten.” Tom vindt het allemaal best. Hij probeert graag nieuwe dingen. “Als het er maar een beetje bekend uitziet, dan durf ik het wel te proeven.”

Indonesië

Soms helpt Tom in de winkel met dozen uitpakken, kroepoek bakken of nieuw binnengekomen producten prijzen. Die kroepoek bakt hij in een wadjan. “Dat is Indonesisch voor wok. Wok is Chinees,” legt oma uit. “Maar het is precies dezelfde soort pan.” De winkel bestaat al honderd jaar. Eerst werden er delicatessen en verse vis verkocht. Op de gevel stond in die tijd het woord ‘paling’ om de koopwaar aan te prijzen.

Molukkers en Javanen die na de Tweede Wereldoorlog in
Hilversum woonden, lazen dit woord dat in het Indonesisch ‘beste’ betekent. Ze dachten: hier kunnen we ons witbrood misschien wel
ruilen voor rijst. Deze Molukkers en Javanen hadden tijdens de onafhankelijkheidsstrijd met de Nederlanders samengewerkt tegen de Indonesiërs. Daarom werden ze in Indonesië gezien als verraders. Voor hun veiligheid werden ze naar Nederland gehaald. 

Rijst

Oma: “In de winkel werd toen nog geen rijst verkocht, maar mijn schoonouders gingen dat natuurlijk meteen regelen. Ze zorgden ook
dat er ketjap en gember kwam en zo konden de Indonesiërs iets eten dat aan hun geboorteland deed denken.”

Hete pepers

Sambal

In de winkel valt ondertussen van alles te  proeven en te ruiken. Tientallen soorten zelfgemaakte sambal staan naast grote potten
geïmporteerde kruiden in alle kleuren van de regenboog. In het hoekje bij de keuken staan wel zeven zakken rijst: pandan, basmati,
jasmijnrijst en kleefrijst. In de koeling liggen madame jeannette-pepers, verse laos, sereh, bakbananen en soms ook varkensstaarten en varkensoren. Daar zijn vaste klanten voor. “Ze kunnen het hier in de buurt nergens anders kopen.” En dat geldt voor heel veel van de
spullen. Tot zo’n tien jaar geleden verkochten ze zelfs haaienvinnensoep. “Maar dat is nu verboden.”

Heimwee

Oma: “We hebben veel vaste klanten die ergens op vakantie zijn geweest of in een ander land zijn geboren. Hier kunnen ze de typische ingrediënten van ‘daar’ kopen en dat maakt ze blij.” Mensen die zijn geëmigreerd, missen hun familie en vrienden. Maar ook het eten. Bepaalde maaltijden smaken naar thuis. Ze kunnen je het gevoel geven dat je weer even terug bent.

Eén van de vaste klanten is Denise (37). Soms doet ze hier boodschappen voor haar schoonmoeder. Dan koopt ze vooral Indische producten. Maar vandaag is ze met haar ouders uit Aruba. “Het is wel handig dat ze er bij zijn, want ik wil pom maken: een typisch Surinaams gerecht. Ik weet ongeveer hoe dat moet, maar zij hebben altijd goede tips voor kruiden die ik ook kan gebruiken.” Ze gaat uiteindelijk de deur uit met zoutvlees en diepgevroren tayer. “Er hoort ook kousenband in. Maar die is helaas op,” vertelt Tom’s opa. Deze groente komt vannacht weer binnen uit de Dominicaanse Republiek. “Morgenochtend vroeg rijd ik naar Schiphol om het op te halen.”

Tom helpt graag in de winkel

 

Pekingeend

Tom gaat in vakanties weleens mee naar de groothandels. “Die importeren alle spullen en mijn opa koopt dan weer bij hen.” Zoutvlees komt trouwens gewoon uit een fabriek in Zoetermeer, dichtbij Den Haag. Opa: “En de pekingeend die nu boven in de oven ligt, wordt gefokt in een fabriek in Ermelo. Vlees en vis uit China importeren mag niet. Mensen zijn bang dat er zo ziektes worden verspreid of dat het onderweg bederft.”

Volle mond

Tom rolt het volgende flensje met stukjes komkommer, bosui, hoisin saus en knapperige stukjes pekingeend erin. Met z’n handen stopt
hij het in z’n mond. “Meestal eet ik met mes en vork. Alleen houd ik m’n vork rechts. Dat vind ik makkelijker.” Of er regels gelden thuis aan tafel? “Je mag niet op de telefoon, niet boeren én niet met volle mond praten.”

De grootouders van Tom hebben een toko met allerlei ingrediënten van over de hele wereld.