Overslaan en naar de inhoud gaan

Verhaal

Het verhaal van de Exodus: de uittocht uit Egypte
De route
De route

Exodus: de uittocht uit Egypte

Slavernij
Exodus vertelt het verhaal van de Israëlieten. Dit volk woonde ooit in gevangenschap in Egypte. In die tijd is de farao de koning. Hij is bang voor de Israëlieten met hun eigen god en daarom maakt hij hen tot slaaf. Hij geeft ook opdracht om alle jongetjesbaby’s van de Israëlieten te verdrinken in de Nijl. Eén baby wordt gered: Mozes. Zijn moeder zet hem in een mandje en laat hem wegdrijven op de golven van de rivier.

Mozes
Een Egyptische prinses vindt het mandje. Zij neemt Mozes mee naar het paleis en voedt hem op als haar eigen zoon. Terwijl Mozes opgroeit, ziet hij dat zijn familie werkt als slaven. Dat vindt hij vreselijk, dus als god aan Mozes vraagt om de Israëlieten naar de vrijheid te brengen, aarzelt Mozes geen moment. Hij vraagt de farao of ze weg mogen. Maar de farao wil de slaven niet laten gaan.

Plagen
Als Mozes alles heeft geprobeerd om de farao tot andere gedachten te brengen, komt god te hulp. Hij treft Egypte met rampen die steeds verschrikkelijker worden. Deze tien plagen treffen alleen Egyptenaren. De Israëlieten hebben nergens last van.

De eerste plaag veranderde het water van de rivier de Nijl in bloed. Daarna kwamen er kikkers uit de Nijl. Ze zaten overal. Toen veranderde god al het stof in steekmuggen. Daarna kwamen er zwermen grote vliegen de huizen van de Egyptenaren binnen. Tot overmaat van ramp stierf al hun vee. De zesde plaag gaf mensen en dieren etterende zweren. De zevende plaag was de ergste hagelstorm die Egypte ooit had meegemaakt en daarna zoemde er een enorme sprinkhanenzwerm over het land. Ze vraten alle oogst op die nog niet was vernield door de hagelstenen. Daarna was het drie dagen pikdonker. Alleen waar de Israëlieten woonden, was licht. Maar de farao laat de Israëlieten nog steeds niet gaan. Tot de tiende plaag…

De tiende plaag
Bij deze plaag sterft de eerstgeboren zoon van elk Egyptisch gezin! Ook de oudste zoon van de farao. De farao is zo verdrietig dat hij de Israëlieten laat gaan. Voordat de koning zich kan bedenken, vluchten alle Israëlieten. Gelukkig, want niet veel later bedenkt de farao zich en stuurt hij inderdaad het leger achter ze aan.

De Rode Zee
Met het Egyptische leger op hun hielen, komen de Israëlieten aan bij de Rode Zee. Ze kunnen niet verder… En de soldaten naderen… Vlug roept Mozes god om hulp. Die stuurt een harde wind, die de golven van de Rode Zee wegduwt en een weg over de zeebodem vrijmaakt. Zo komen de Israëlieten veilig aan op de andere oever.

Er een enorme sprinkhanenzwerm trok over het land. Ze vraten alle oogst op die nog niet was vernield door de hagelstenen.
Er een enorme sprinkhanenzwerm trok over het land. Ze vraten alle oogst op die nog niet was vernield door de hagelstenen.

Soldaten
Als de Israëlieten door de Rode Zee zijn, sluit god de golven. Alle soldaten die hen achtervolgen, worden onder de zee bedolven. Samen met hun dieren, hun voorraden en hun wapens.

Woestijn
De Israëlieten hebben het land van de farao veilig verlaten, maar er staat ze nog een lange tocht te wachten met allerlei avonturen. Joden geloven dat het volk meer dan veertig jaar door de woestijn heeft getrokken, voordat ze een plek vonden om zich te vestigen in het gebied waar nu Israël ligt.

Om de veertig jaar in de woestijn te herdenken, vieren joden het Loofhuttenfeest. Eitan uit Tel Aviv laat zien hoe dat gaat.

Het verhaal van Jozef

Een ander heel bekend verhaal, is dat van Jozef. Als lievelingszoon krijgt Jozef van zijn vader een schitterende jas. Maar hier worden zijn tien oudere broers zo jaloers van, dat ze Jozef verkopen aan slavenhandelaren. Dit vertellen ze natuurlijk niet aan hun vader. Die maken ze wijs dat Jozef door een wild dier is verscheurd. De slavenhandelaren nemen Jozef mee naar Egypte en verkopen hem aan Potifar, een van de mannen aan het hof van de farao (zo werden de koningen in het oude Egypte genoemd).

Potifar is heel blij met Jozef die zich gedraagt als een goede en trouwe dienaar. Maar dan probeert de vrouw van Potifar hem te versieren. Jozef trapt hier niet in, maar dat maakt de vrouw van Potifar zó boos dat ze haar man op de mouw speldt dat Jozef het was die haar probeerde in te palmen. Hierop laat Potifar zijn slaaf Jozef in de gevangenis gooien.

In de gevangenis krijgt hij al snel een goede band met een bewaker die erachter komt dat Jozef dromen kan uitleggen. De farao krijgt dit ook te horen en Jozef vertelt de koning wat de symbolen in zijn droom betekenen. Zo voorspelt hij jaren van overvloed en jaren van hongersnood. Uit dankbaarheid benoemt de farao Jozef tot opziener over heel Egypte: hij wordt een soort onderkoning. Tijdens de hongersnood reizen de eerder zo jaloerse broers van Jozef naar Egypte, op zoek naar voedsel. Ze herkennen Jozef niet eens. Maar in plaats van wraak te nemen of boos te zijn, vergeeft Jozef zijn broers. De hele familie verhuist uiteindelijk naar Egypte om samen te leven.