Overslaan en naar de inhoud gaan
Reportage

"We geloven allemaal in dezelfde God"

Les uit de Koran is op alle scholen in Pakistan verplicht. Ook op de christelijke school waar Ritma (11) sinds kort naartoe gaat. “Maar de christenen krijgen les uit de Bijbel en ik word hier niet gepest.”
Elke zondagochtend gaat Ritma naar de kerkdienst.
Wilma van der Maten

Langs het riviertje waarin huisvuil drijft, spelen Ritma en haar vrienden tikkertje. Ze rennen een bruggetje over, door de smalle steegjes waar ze bijna een groenteverkoper omverlopen. Ze wonen in een sloppenwijk van de Pakistaanse hoofdstad Islamabad. Slechts twee procent van de bevolking in het land is christen. De rest van de burgers is moslim. “Als ik groot ben, word ik dokter”, zegt Ritma stoer. Haar broer Kalib (13) droomt van een baan als ingenieur. “Ik wil wegen en bruggen bouwen om mijn land groot te maken”, vertelt hij.

Toekomstdromen

Hun vader die heeft meegeluisterd, schudt meewarig zijn hoofd. Hij gelooft niet dat de dromen van zijn kinderen zullen uitkomen, ook al doen hij en zijn vrouw er alles aan om ze het beste onderwijs te geven in de hoop dat ze het verder zullen schoppen. “Ik heb drie banen om hun nieuwe privéschool te kunnen betalen.” Hij brengt met zijn busje kinderen tegen betaling naar school, verkoopt abonnementen voor kabel-tv en repareert tv's en muziekinstallaties. “Mijn vrouw werkt als verpleegkundige in een ziekenhuis.” Toch vreest hij dat zelfs een betere opleiding zijn kinderen niet verder zal helpen. “Omdat ze christen zijn”, klinkt hij somber. 

Ritma en haar broer Kalib zijn voor het eerst in de oudste kerk van hun land Pakistan.
Ritma en haar broer Kalib zijn voor het eerst in de oudste kerk van hun land. Wilma van der Maten

Anders

Ook al hoeven Ritma en Kalib nog niet te solliciteren voor een baan, toch merken ook zij al wel dat christenen anders worden behandeld. “Toen we naar een islamitische overheidsschool gingen, moesten we uit de Koran leren. De leerkrachten gaven ons lagere cijfers dan de moslimkinderen”, zegt Kalib. De school waar ze nu naartoe gaan is opgericht door Europese paters die in de 19e eeuw naar Azië kwamen om er het christelijke geloof te verspreiden. Deze zendelingen zijn er niet meer. Toen de militaire dictator Zia ul Haq Pakistan in de jaren zeventig in een streng islamitisch land veranderde, werden ze het land uitgezet. De regering nam hun onderwijs instituten in beslag, ook de school waar Kalib en Ritma naartoe gaan. Christenen zijn er nu in de minderheid. “Van de dertig kinderen in mijn klas, zijn er negen christen”, legt Kalib uit. Ritma vindt het erg leuk op haar nieuwe school. “Moslims leren uit de Koran en wij leren uit de Bijbel. Niemand wordt hier gediscrimineerd.”

Geluk

Als ze hun huiswerk af hebben, gaan ze bij dominee Barnabas Younas langs in hun kerk. Ze bezoeken hem vaak. Hij is de beste vriend van hun vader en de kinderen zijn erg aan hem gehecht. “Deze twee hebben heel veel geluk”, vindt de dominee, die hen vergelijkt met christelijke kinderen in arme dorpen op het Pakistaanse platteland waar hij zelf is geboren. Zijn vader was daar ook dominee. Barnabas vertelt over de steenfabrieken buiten zijn geboorte dorp waar het merendeel van de arbeiders christen is. Hij legt uit dat christelijke kinderen niet naar school gaan omdat ze hun ouders moeten helpen met het werk op het land van rijke boeren. Als salaris krijgen ze een zak rijst. De rijke boeren bezitten niet alleen de landbouwgrond, maar vaak het hele dorp. Die vinden onderwijs vaak verkwisting. De kinderen volgen toch in de voetsporen van hun ouders en als landloze boer heb je geen opleiding nodig. Gezinnen die naar de grote steden trekken, komen vaak in sloppenwijken terecht. Meer dan de helft van de christenen in het land kan niet lezen of schrijven.

Ritma woont in een sloppenwijk in de hoofdstad van Pakistan.
Ritma woont in een sloppenwijk in de hoofdstad van Pakistan. Wilma van der Maten
Ritma en haar vriendinnen maken huiswerk.
Op haar nieuwe school krijgt Ritma les uit de Bijbel. Wilma van der Maten

Grondwet

“Christenen hebben het zwaar”, zucht de dominee. Toen Pakistan in 1947 werd opgericht, was het nog niet officieel een Islamitische republiek. In de grondwet stond toen dat iedere gelovige vrij was om naar zijn moskee, tempel en kerk te gaan. Maar door de jaren heen groeide het aantal islamitische extremisten. Die vinden dat iedereen in Pakistan moslim moet zijn. Volgens de grondwet van nu mogen mensen uit religieuze minderheden, waaronder christenen, niet tot president worden gekozen of worden benoemd tot opperbevelhebber van het leger.

Beter beschermen

Militante moslims gaan zover in hun haat tegen christenen dat ze zelfs dodelijke aanslagen plegen. Bij een bomexplosie in een park, vier jaar geleden tijdens Pasen, kwamen 70 mensen om waaronder kinderen en vrouwen. De zwaarste aanval was in 2013 op een kerk in Peshawar. Meer dan honderd gelovigen vonden toen de dood. “Islamitische bendes steken huizen in brand waar mensen levend in worden verbrand”, zucht de dominee nog eens diep. De nieuwe premier Imran Khan die sinds 2018 aan de macht is, heeft beloofd de religieuze minderheden beter te beschermen.
Maar de dominee ziet in de praktijk nog weinig van die goede bedoelingen. Ritma gelooft in dezelfde rechten voor iedereen. In haar gebeden vraagt ze God om alle kinderen te helpen, moslims en christenen. “Op school zijn mijn beste vriendinnen moslim. Ik geloof in Jezus en zij in Allah. Maar uiteindelijk hebben we allemaal dezelfde God."

Plaats als eerste een reactie